|
Bewijzen
De bewijzen voor de evolutietheorie komen uit verschillende vakgebieden. In de loop van de tijd zijn er vele bewijzen bij gekomen.
Anatomie
Een bewijs voor de evolutie komt vanuit de anatomie. Gewervelde dieren, blijken allemaal hetzelfde basisbouwplan te hebben. Zo is heeft bijvoorbeeld de menselijke hand exact dezelfde positie van botten als in de vleugel van de vleermuis. Dit gaf volgens Darwin aan dat deze totaal verschillende wezens een gezamenlijke voorouder moeten hebben.
Embryo
Embryologie is het kijken naar de ontwikkeling van een embryo vanaf de bevruchting. Het blijkt dat sommige embryo's van dieren toch bepaalde eigenschappen ontwikkelen, maar ze helemaal niet nodig hebben. Zo heeft de mens bijvoorbeeld het staartbeentje, maar geen staart. Men kan veel over het evolutionaire verleden afleiden uit embryologische gegevens. Veel overeenkomsten in de verschillende stadia van de ontwikkeling van het embryo zijn terug te voeren tot een gemeenschappelijke afstamming.
Fossielen
De paleontologie is één van de belangrijkste bronnen van bewijsmateriaal voor de evolutietheorie. Door fossielen uit verschillende geologische perioden met elkaar te vergelijken kan een soort stamboom worden gemaakt in de tijd. Overgangsvormen of "Missing links" zullen nooit allemaal gevonden kunnen worden, simpelweg omdat er altijd weer een nieuwe Missing Link ontstaat als er een tussenvorm wordt gevonden. Ook is natuurlijk maar een klein deel van de organismen als fossiel bewaard gebleven. Door de overweldigende hoeveelheid onderzochte fossielen en geologische dateringstechnieken, is er een zeer uitgebreid beeld ontstaan van de ontwikkeling van organismen in het geologische verleden.
DNA
Een heel sterk bewijs komt uit de genetica en DNA onderzoek. Via onderzoek aan de structuur van eiwitten en het DNA zijn stambomen gemaakt. Dit kan door te kijken hoeveel het DNA van de verschillende soorten op elkaar lijken. Zo blijkt de dat het DNA van de mens en bijvoorbeeld de chimpansee voor 96% gelijk zijn. Genetisch onderzoek bewijst ook het voorkomen van mutaties (wijzigingen in het DNA), en dus ook het kunnen ontstaan van nieuwe eigenschappen in een organisme.
Sommige mutaties zijn neutraal (geen positief én geen negatief effect), maar er zijn ook mutaties die een positieve eigenschap of een negatieve eigenschap tot gevolg hebben in het organisme. Negatieve eigenschappen zullen in de loop van de tijd niet bewaard blijven in een populatie, maar een positieve eigenschap natuurlijk wel. Kleine stapsgewijze veranderingen kunnen na talloze generaties uiteindelijk grote veranderingen in een soort veroorzaken.
|