|
Home
Fossielen
Verklarende
woordenlijst
|
|
Fossielen zijn er te vinden in vele soorten en maten. Hieronder vind je een uitleg
van de meest voorkomende soorten en termen:
|
Ammonieten
Een ammoniet is een gekamerde schelp van een uitgestorven inktvisachtige. De orde van Ammonidea behoort tot de klasse Inktvisachtigen(Cephalopoda) en het phylum Weekdieren (Mollusca). De naam is afkomstig van de Egyptische god Ammon. Ammonieten lijken op de opgekrulde ramshorens waarmee Ammon werd voorgesteld.
De schelp was meestal van aragoniet, wat slecht fossiliseert en soms alleen de steenkern overlaat. Wel worden kleinere ammonieten vaak gevonden in gepyritiseerde vorm. Ammonieten waren zwemmende dieren die hun "hoogte" in de zee konden regelen door stikstofgas in oude kamers te pompen. De kamers zijn onderling door een buis (sipho) verbonden zodat het gas vanuit de lichaamsvloeistof van het dier getransporteerd kon worden.
De grootte van de ammonieten varieert van minder dan een centimeter tot meer dan 2,5 meter doorsnee. Er kwamen vele soorten en varieteiten ammonieten voor. De meeste soorten waren opgerold, maar er kwamen ook ontrolde vormen voor.
De verschillende kamers van de ammoniet zijn van elkaar te onderscheiden door de vaak grillig gevormde "sutuurlijnen". De sutuurlijnen van een ammoniet zijn erg complex. Ammonieten leefden vanaf het boven Siluur tijdperk totdat ze uitstierven aan het einde van het Krijt tijdperk. De enige nu nog levende verwant is de nautilus.

Voorbeeld van een ammoniet.
Ammonieten zijn in de loop van de geschiedenis snel geevolueerd. Samen met het feit dat ze goed fossiliseren, maakt het een zeer geschikt gidsfossiel . De stratigrafie van het Mesozoicum is grotendeels gebaseerd op het voorkomen van bepaalde soorten ammonieten. Vooral in de Jura en het Krijt tijdperk waren ammonieten erg talrijk.

Beschrijving van de sutuurlijnen bij goniatieten, ceratieten en ammonieten.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Ammonieten te bekijken. |
Barnsteen
Barnsteen, ook wel amber genoemd, is fossiele hars van naaldbomen. Het woord barnsteen komt van "brand" omdat het kan branden. Soms zijn er in de hars insecten of plantendelen gevangen, die daardoor perfect bewaard zijn gebleven. Barnsteen is heel licht. Als je het zachtjes tegen je tanden tikt, klinkt het als plastic. Barnsteen is meestal gelig van kleur.
De meeste barnsteen is afkomstig uit het Oostzeegebied. Het Russische Kaliningrad is goed voor 90% van de wereldproductie. Het spoelt ook regelmatig aan op stranden in Nederland, Duitsland en het Oostzeegebied. Ook in Madagascar wordt veel barnsteen gevonden.

Een stukje barnsteen dat is gevonden in de Hondsrug bij Groningen. |
Belemnieten
Een belemniet is het inwendig skelet van een inktvisachtige (pijlinktvis). Belemnieten behoren tot de klasse Inktvisachtigen(Cephalopoda) en het phylum Weekdieren (Mollusca).
Het skelet (rostrum) is puntig en pijlvormig. Ze komen het meeste voor in het Krijt tijdperk.

Voorbeeld van een Belemniet.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Belemnieten te bekijken. |
Bivalven
De klasse Bivalvia behoort tot het phylum van de weekdieren (Mollusca). De Nederlandse naam voor Bivalven is Tweekleppigen. De kleppen van de schelp zelf zijn asymmetrisch, maar de linker en rechterklep zijn ruwweg elkaars spiegelbeeld.
Sommige schelpen bestonden uit aragoniet (snel oplosbare kalk) en fossiliseren matig. Vaak blijft dan alleen de steenkern bewaard. Andere bivalven bestaan uit calciet en fossiliseren goed. Fossiele bivalven komen zeer algemeen voor.

Voorbeeld van een bivalve. De schelp zelf is niet symetrisch.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Bivalven te bekijken. |
Brachiopoden
Tweekleppige schelp waarvan de helften elkaars spiegelbeeld vormen. De kleppen zelf zijn verschillend van elkaar. Ze leefden vastgehecht aan de zeebodem, waar ze voedsel uit het zeewater filterden. Ze komen voor in afzettingen vanaf het Cambrium tijdperk tot recent, maar waren het meest talrijk in het Paleozoicum.

Voorbeeld van de brachiopode. De schelp is symetrisch, maar de twee schelphelften niet.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Brachiopoden te bekijken. |
Bryozoa
De Nederlandse naam voor het phylum Bryozoa is "mosdiertjes". Het zijn kleine kolonievormende diertjes die een kalkskelet vormen. In elk kamertje bevindt zich een diertje dat met tentakeltjes voedsel uit het water filtert. De kolonies kunnen zowel takvormig, waaiervormig of korstvormend zijn.
Ze komen voor in afzettingen uit het onder Ordovicium tijdperk tot recent. Meestal zijn de kolonies vrij klein. De meeste soorten leven in zee, maar er zijn ook zoetwater soorten.

Voorbeeld van een bryozo.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Bryozoa te bekijken. |
Bulla
Een bulla is een gehoorbeen van een zeezoogdier. Dolfijnen en walvissen hebben bijvoorbeeld dit soort botten. Ze zijn onregelmatig van vorm en kunnen bij walvissen soms wel 10 centimeter groot zijn. Deze fossielen komen regelmatig voor in afzettingen uit het Neogeen en Paleogeen.

Voorbeeld van een bulla van een walvis. |
Ceratieten
Een Ceratiet is een ammoniet-achtige waarvan de schelp gegolfd is met ribben en knobbels. De orde van Ceratida behoort tot de klasse Inktvisachtigen(Cephalopoda) en het phylum Weekdieren (Mollusca). De "sutuurlijnen" zijn vrij rond. Ze komen voor in afzettingen uit het Perm tot en met het Trias tijdperk.
Zie ook Goniatieten en Ammonieten .

Beschrijving van de sutuurlijnen bij goniatieten, ceratieten en ammonieten.

Voorbeeld van een Ceratiet uit Lügde, Duitsland. Foto Taco Geertsema. |
Coprolieten
Coprolieten zijn versteende uitwerpselen van dieren. Deze worden onder andere gevonden van Dinosauriërs en zoogdieren. Coprolieten worden meestal gevonden in land-afzettingen, en kunnen ons veel vertellen over het eetpatroon van het dier. Soms worden er ook coprolieten gevonden van zeedieren zoals haaien. Er kan bijvoorbeeld worden gezocht naar vegetatieresten en stuifmeel (pollen), zodat het toenmalige klimaat kan worden bepaald.
De grootste coproliet tot nu toe werd gevonden in Canada. Deze is afkomstig van een Tyrannosaurus Rex en was 45 centimeter groot en woog 7 kilo! Coprolieten zijn niet erg zeldzaam, maar vaak wel lastig herkenbaar. |
Crinoiden
Crinoiden behoren tot het Phylum stekelhuidigen (Echinodermata). Net als andere Echinodermen hebben ze een vijf stralige symetrie. De Nederlandse naam voor deze dieren (geen planten!) is zeelelie. Crinoiden zijn momenteel zeldzaam in ondiep water, maar vroeger waren ze even algemeen als hun verwante "echinodermen" als zeesterren en zee-egels . Ze leefden meestal op de zeebodem waar ze zich met een steel vasthechtten aan de bodem. Bovenop de steel bevond zich een kelk (of knop) met een mondopening en vangarmen om voedsel uit het water te filteren. De meeste recente vormen zijn vrij zwemmend en hechten zich niet vast.
Ze komen voornamelijk voor in afzettingen vanaf het Ordovicium tijdperk tot recent. In het afzettingen uit het Paleozoicum komen ze voor in grote hoeveelheden.
Meestal worden alleen de stengeldelen gevonden. De "knoppen" van deze dieren zijn een stuk zeldzamer. De stengels vallen na het sterven van het dier vaak snel uit elkaar in dunne "plakjes". Soms zijn hele dikke gesteentelagen gevormd door opeenhoping van crinoidenstengels.

Voorbeelden van crinoidenstengels.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Crinoiden te bekijken. |
Cystoideën
Deze groep dieren behoort tot de het phylum van de echinodermen (Echinodermata), waartoe ook de zeeëgels toe behoren.
Ze zijn bolvormig en hebben met een steel aan de zeebodem vastgehecht gezeten. Uit lagen uit het Ordovicium tijdperk zijn de eerste fossielen van deze dieren bekend. In het Devoon tijdperk zijn ze uitgestorven.

Voorbeeld van cystoideën. |
Foraminiferen
Foraminiferen, oftewel gaatjesdragers zijn gekamerde ééncellige organismen met een kalkskelet. Het subphylum Foraminifera behoort tot het rijk van de Prostisten. De populaire naam voor foraminiferen is forams.
Er bestaan zowel grote vormen (grootforaminiferen) die met het blote oog goed te zien zijn en op de (ondiepe) zeebodem leefden, als kleine vormen die als plankton in zee zweefden. De kamers zijn spiraalsgewijs gerangschikt, onderling verbonden door poriën. Ondermeer hiermee onderscheiden de foraminiferen zich van de ammonieten .
Foraminiferen worden veel gebruikt in geologisch onderzoek om het oorspronkelijke milieu en klimaat te reconstrueren. De oudste fossiele foraminiferen komen al voor in gesteenten van Cambrische ouderdom en ze komen ook nu nog steeds voor. Vanwege hun snelle evolutie worden ze veel als gidsfossielen gebruikt.

Voorbeeld van een groot foraminifeer uit de Spaanse Pyreneen.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Foraminiferen te bekijken. |
Gastropoden
Gastropode is de wetenschappelijke naam van slak, en ze behoren tot het phylum van de weekdieren (Mollusca). Gastropoden komen voor vanaf het Cambrium tijdperk. Ze komen zowel op het land als in zee voor. Gastropoden die in zee leven zijn roofdieren die soms gaatjes in andere schelpen boren om deze op te kunnen eten.
Gastropoden bouwen hun schaal meestal met aragoniet. Dit is snel oplosbaar in grondwater, en de schaal wordt vaak niet fossiel. De opvulling van de binnenkant van het slakkenhuis wordt dan als steenkern teruggevonden. Fossielen van gastropoden komen zeer algemeen voor.

Voorbeeld van een gastropode.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Gastropoden tebekijken. |
Genus
In de wetenschappelijke naamgeving van organismen wordt onderscheid gemaakt tussen groepen organismen op basis van kenmerken. De mens heeft bijvoorbeeld als naam Homo sapiens. Hiervan is Homo het genus en sapiens de soort. De soort wordt altijd met een kleine letter geschreven.
Zie de speciale pagina over Wetenschappelijke naamgeving voor meer informatie |
Gidsfossielen
Gidsfossielen zijn fossielen die karakteristiek zijn voor een bepaalde laag in de stratigrafie. Geschikte gidsfossielen zijn fossielen die een beperkte verspreiding in de tijd hebben, een groot verspreidingsgebied hebben en niet zeldzaam zijn. De beste gidsfossielen zijn snel geëvolueerd en hebben een korte levensduur. Aan de hand van gidsfossielen kunnen op een snelle en eenvoudige wijze lagen worden gedateerd. Voor een uitgebreidere datering is het belangrijk om verschillende dateringsmethoden te combineren.
Graptolieten zijn belangrijke gidsfossielen in het Siluur en Ordovicium tijdperk. Ammonieten zijn belangrijke gidsfossielen voor het Jura en Krijt tijdperk. Vroeger gebruikte men vooral macrofossielen, zoals ammonieten en graptolieten. Tegenwoordig worden vooral microfossielen zoals conodonten en foraminiferen gebruikt. Voor datering van gesteentemonsters uit bijvoorbeeld boringen gebruikt men liever microfossielen, omdat die vele malen meer in een monster voorkomen. |
Goniatieten
Een goniatiet is een kleinere ammoniet -achtige uit het Devoon en Carboon tijdperk, waarvan de "sutuurlijn" nog simpel is doordat de septa weinig geplooid zijn. De orde van Goniatitida behoort tot de klasse Inktvisachtigen(Cephalopoda) en het phylum Weekdieren (Mollusca).

Beschrijving van de sutuurlijnen bij goniatieten, ceratieten en ammonieten. |
Graafgangen
Graafgangen zijn sporenfossielen oftewel ichnofossielen. Soms zijn in afzettingen graafsporen te zien die door verschillende dieren gemaakt kunnen zijn. Vaak zijn het op de zeebodem levende dieren geweest die woonkamers groeven in de zachte bodem. De graafgangen zijn nu nog te onderscheiden omdat de opvulling bijvoorbeeld grofkorreliger of poreuzer is.
Van veel sporenfossielen is onbekend welk dier de maker is geweest. De oudst bekende graafgangen stammen uit het Precambrium en zijn 1,1 miljard jaar oud!
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Sporenfossielen te bekijken. |
Graptolieten
Graptolieten behoren tot het phylum Hemichordata. Ze kwamen voor vanaf het midden Cambrium, en stierven uit aan het begin van het Carboon tijdperk. Veel graptolieten hadden een planktonische levenswijze, zij zweefden in de bovenste wateren van de oceanen. Hun exoskelet (uitwendig skelet) bestond uit organisch materiaal (chitine) en niet uit kalk. Graptolieten vormden door ongeslachtelijke deling kolonies.
Als ze doodgingen zakten de skeletten naar de bodem en bleven ze alleen bewaard in fijne dungelaagde kleien, die gevormd werden in anoxisch (zuurstofloos) zeewater. Ze worden nu als platgedrukte fossielen teruggevonden in zwarte schalies. Ze zien er meestal uit als "figuurzaagjes" en komen voor in allerlei varianten.
Graptolieten komen veel voor in (diepzee)afzettingen uit het Ordovicium en Siluur tijdperk. In deze tijdperken worden ze ook als gidsfossiel gebruikt.
Voorbeeld van een graptoliet.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Graptolieten te bekijken. |
Haaientanden
Haaien vormen samen met Roggen de klasse kraakbeenvissen (Chondrichthyes).
Fossiele haaientanden nemen vaak de kleur van het omringende sediment. Vaak zijn ze zwart of grijs. Haaientanden zijn vrij hard, bestaan uit calciumfosfaten en fossiliseren goed. Een haai heeft een kaak die in de loop van de tijd draait, en steeds weer nieuwe tanden produceert. Aangezien elke doorsnee-haai tijdens zijn leven wel 10.000 tanden produceert zijn deze fossielen talrijk in afzettingen uit het Krijt en vooral Paleogeen tijdperk.

Gebruikte terminologie bij haaientanden. Dit is een Cosmopolitodus escheri (AGASSIZ, 1844). Met dank aan Erik Wijnker voor het maken van deze afbeelding.

Gebruikte terminologie bij haaientanden. Dit is een Notorynchus sp. Met dank aan Erik Wijnker voor het maken van deze afbeelding.
Van het overig skelet dat bestaat uit kraakbeen worden ook frequent wervels teruggevonden. Bij de Heterodonten wisselt de vorm van de tand naar gelang van de plaats in de kaak. Eén soort Heterodonte haai produceerde dus altijd diverse typen tanden. Bij de Homodonten zijn de tanden allemaal gelijk.

Voorbeeld van een haaientand uit Antwerpen.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Haaien fossielen te bekijken. |
Ichnofossielen
Ichnofossielen zijn fossiele sporen van levensvormen. Pootafdrukken, graafgangen, kruipsporen worden hiertoe gerekend. Soms worden wel de sporen van een organisme teruggevonden, maar het is dan onbekend welk organisme ze heeft achtergelaten.

Voorbeeld van een voetstap van een Sauriër uit Winterswijk.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Sporenfossielen te bekijken. |
Koralen
Koralen (klasse Anthozoa) behoren tot het phylum van de neteldieren (Cnidaria). Koralen zijn kolonies van poliep-achtige diertjes die voornamelijk in tropische zeeën voorkomen. Door ongeslachtelijke deling onstaan uit één koraalkelkje gehele kolonies, welke hele riffen kunnen opbouwen. Ook in koudere wateren komen ze voor, maar ze bouwen daar geen riffen op.
De meeste fossiele koralen behoren tot de ordes van de Rugose, Tabulate en Scleractine koralen. Tabulate koralen zijn altijd kolonievormend, maar rugosekoralen komen vaak solitair voor. Het skelet betaat uit calciet (kalk).
Vanaf het Ordovicium tot het uitsterven aan het einde van het Perm tijdperk leefden de rugose en tabulate koralen. De Scleractine koralen ontwikkelden zich vanaf het Midden-Trias en tot op heden zijn zij de voornaamste rifvormers. Hun skelet bestaat uit aragoniet (snel oplosbare kalk) dus vinden we meestal alleen steenkernen en afdrukken. In de fossielen zijn meestal de kamertjes waar de koraalpoliepjes hebben geleefd goed te zien.

Voorbeeld van een rugose koraal.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Koralen te bekijken. |
Mammoeten
De uitgestorven mammoeten zijn de meest tot de verbeelding sprekende Pleistocene zoogdieren. Nederland staat bekend om zijn fossiele botten van mammoeten. Deze worden veel opgevist uit de Noordzee (Doggersbank, Bruine bank) en gevonden in afzettingen van de grote rivieren. De depots van veel Nederlandse musea liggen vol met mammoetresten.
Er hebben verschillende soorten mammoeten naast elkaar bestaan. De bekendste mammoet is de wolharige mammoet (Mammuthus primigenius). Verder kwamen er in Europa nog de steppemammoet (Mammuthus trogontherii), de Zuidelijke mammoet (Mammuthus meridionalis) en de dwergmammoeten (Mammuthus lamarmorae) op eilanden in de Middelandse zee voor. Uit Noord Amerika zijn verder nog de keizersmammoet (Mammuthus imperator) en de Amerikaanse mammoet (Mammuthus columbi) bekend.
De mammoeten zijn bekend uit het Pleistoceen (onderdeel van het Neogeen tijdperk). De wolharige mammoet en de steppemammoet hadden een hele dikke vacht met lange haren. De andere mammoeten hadden minder of nauwelijks haar omdat deze in warmere gebieden voorkwamen. De Amerikaanse mammoeten zijn erg groot. De Europese vormen werden ongeveer net zo groot als de huidige olifanten. Wel hadden ze grote slagtanden.
Mammoeten waren grote grazers en aten gras. Dat kun je goed zien aan de maalkiezen die veel fossiel worden gevonden. De mammoet is uitgestorven aan het einde van de laatste ijstijd pakweg 10.000 jaar geleden. Verschillende populaties hebben het nog langer volgehouden. Tot op heden is er nog een discussie over in welke mate de mens verantwoordelijk is geweest voor het uitsterven van de mammoeten.
Naast botten die veel zijn gevonden zijn in Siberië (Rusland) ook complete ingevroren dieren ontdekt in de permafrost van de toendra. Hierdoor is veel meer bekend geworden over de leefwijze van mammoeten. Zaken als haren en maaginhoud konden hierdoor onderzocht worden.

Voorbeeld van een mammoetkies. Foto: Olof Moleman |
Mosasaurus
De Mosasaurus ofwel Maashagedis is voor het eerst gevonden in 1766 in de St. Pietersberg in Maastricht, waar de Mosasaurus zijn naam ook aan dankt. Deze vondst is nu nog te zien in het Teylers Museum in Haarlem. Tijdens het Maastrichtien (onderdeel van het Krijt tijdperk) was de Mosasaurus één van de grote roofdieren in de toenmalige zeeën en oceanen.
Het reptiel was vrij lang en slank en had vier flippers. Er zijn diverse soorten bekend uit de hele wereld. De grootte varieert, maar de grootste konden zo’n tien meter lang worden. Mosasaurussen zijn uitgestorven aan het einde van het Krijt tijdperk.
In de kalksteen van Zuid Limburg worden regelmatig resten van Mosasaurussen gevonden. Losse tanden komen het meeste voor. Meerdere botten bij elkaar zijn erg zeldzaam.
In 1998 in de ENCI-groeve een gedeeltelijk skelet van een Mosasaurus ontdekt. Het dier bleek na zijn dood te zijn aangevreten door haaien. Hierdoor is helaas niet het complete skelet gevonden van de Mosasaurus die Bèr is genoemd. De schedel en een aantal wervels van Bèr is te bewonderen in het Natuurhistorisch Museum te Maastricht. Bèr is beschreven als nieuwe soort: Prognathodon saturator. |
Nautilus
De orde Nautilida behoort tot de klasse Inktvisachtigen(Cephalopoda) en het phylum Weekdieren (Mollusca). De nautilus is een inktvisachtige waarvan de "sipho" (buis) in het midden ligt van de kamers. Het dier kan stijgen en dalen door meer of minder water in zijn schelp te pompen.
De "sutuurlijnen" (scheidingslijn tussen de kamers) zijn minder ingewikkeld van vorm dan bij ammonieten . Ze komen voor vanaf het einde van het Cambrium tijdperk tot nu. Nautilussen zijn levende fossielen en komen nog steeds voor in de oceaan bij Madagascar.

Beschrijving van de sutuurlijnen bij goniatieten, ceratieten en ammonieten.

Voorbeeld van een recente Nautilus.

Voorbeeld van een fossiele Nautilus. |
Orthoceren
Een orthoceras is een soort inktvisachtige. Het is een langwerpig dier. In de fossielen zijn vaak de verschillende "kamertjes" goed te zien. Orthocerassen behoren tot de Cephalopoden.
Voorbeeld van een Orthoceras uit de hondsrug bij Groningen.
Klik hier voor vindplaatsen waar Cephalopoden gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Cephalopoden te bekijken. |
Ostracoden
De orde van de Ostracoden behoort tot de klasse Crustacea (Kreeftachtigen) en het phylum Arthropoda (Geleedpotigen). De Nederlandse naam is mosselkreeftje. Ostracoden leven zowel in zoet als zout water, en ze leven op de bodem.
Het "schelpje" van dit kreeftachtige diertje fossiliseert vrij gemakkelijk en bestaat uit twee helften. Ze zijn meestal maar enkele millimeters groot, maar sommige soorten kunnen tot een paar centimeter uitgroeien.

Voorbeeld van een ostracode uit Gotland, Zweden.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Ostracoden te bekijken. |
Otolieten
Otolieten zijn gehoorsteentjes van vissen. Deze zitten in het evenwichtsorgaan om informatie te krijgen over de stand waarin zij in de waterkolom verkeren. De gehoorsteentjes zijn opgebouwd uit een aantal dunne kalklagen. Meestal zijn ze niet groter dan een centimeter. Ze worden regelmatig fossiel gevonden in Paleocene en Neogene lagen.

Voorbeeld van een Otoliet uit Mill. |
Planten
De studie van fossiele planten wordt ook wel Paleobotanie genoemd. Leven op het land kwam pas veel later dan leven in zee. Op het land waren de korstmossen en algen als eerste aanwezig. De eerste echte plantjes verschenen pas in het onder Siluur. In het midden Devoon kwamen de grotere wolfklauw-achtigen en de boomvarens. Pas toen ontstonden de eerste bossen. In het boven Devoon ontstonden de eerste zaaddragers zoals zaadvarens en varenpalmen.
Het Carboon tijdperk kenmerkt zich door overweldigende plantengroei. Wereldwijd zijn vele steenkoolpakketten hier de getuigen van. In grote moerasachtige gebieden konden zich dikke lagen veen vormen. Door samendrukking ontstond hierdoor later de steenkool. De bekendste plantengroepen uit het Carboon tijdperk zijn de groepen Paardenstaarten, Varens, Coniferen en Wolfsklauwen. Ook ontwikkelden zich de eerste naaldbomen aan het einde van dit tijdperk. Bekende fossielen uit het Carboon zijn bijvoorbeeld de Calamites, Neuropteris, en Lepidodendron.
Bloeiende planten waren er voor het eerst in het onder Krijt tijdperk. Er ontstonden loofbomen en palmen. Bloeiende planten overheersen nu nog steeds het plantenrijk. |
Roggentanden
Roggen vormen samen met Haaien de klasse kraakbeenvissen (Chondrichthyes).
Roggentanden worden net als haaientanden meestal zwart als ze fossiliseren. Roggentanden zijn te herkennen aan de rechthoekige vorm met ribbels. Roggen hebben een kraakbeenskelet.

Voorbeeld van een roggentand uit Cadzand.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Roggen fossielen te bekijken. |
Rudisten
Merkwaardige groep die behoort tot de tweekleppigen (Bivalven). Ze zijn nu uitgestorven.

Voorbeeld van een rudist.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Rudisten te bekijken. |
Scaphopoden
Scaphopoden staan ook bekend onder de naam “stoottanden“, “tandschelpen” of “olifantstanden”. Met tanden of olifanten heeft dit diertje echter niets te maken. De Dentalium hoort bijvoorbeeld tot deze groep. Ze worden ingedeeld bij de weekdieren (Mollusca).
In de gebogen holle kegelvormige schelp leefde een wormachtig diertje. Het diertje leefde ingegraven in de zeeboden met de dunne kant naar boven en filterde voedsel uit de bodem met kleine tentakels. Scaphopoden komen voor vanaf het boven Cambrium tijdperk tot recent.

Voorbeeld van een Scaphopode. |
Serpuliden
Serpuliden zijn een soort kalkkoker wormen. De familie Serpulidae behoort tot het phylum Annelida. Serpuliden komen voor vanaf het Siluur tijdperk, en werden vanaf de Jura algemener.
De fossielen die gevonden worden van deze groep zijn een soort "wormkokertjes" van kalk. Deze komen zowel recht als opgerold voor. Het verschil met gastropoden (slakken) is dat serpuliden aan de buitenkant onregelmatig zijn, maar aan de binnenkant perfect rond. Bij gastropoden is dit niet het geval.

Voorbeeld van een Serpulide.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Serpuliden te bekijken. |
Soort
In de wetenschappelijke naamgeving van organismen wordt onderscheid gemaakt tussen groepen organismen op basis van kenmerken. De mens heeft bijvoorbeeld als naam Homo sapiens Hiervan is Homo het genus en sapiens de soort. De soort wordt altijd met een kleine letter geschreven.
Zie de speciale pagina over Wetenschappelijke naamgeving voor meer informatie |
Sponzen
Sponzen behoren tot het Phylum Porifera. Het zijn primitieve meercellige dieren die zich vasthechten op de zeebodem. Ze filteren het zeewater om er voedseldeeltjes uit te filteren. Bij sommige fossiele sponzen kun je de uitstroomopening van de spons nog zien waar het gefilterde water naar buiten kwam.
De meeste sponzen hebben een skelet dat uit kleine skeletdeeltjes (spicula) hoorn, kalk of kiezel bestaat. De onderverdeling van de sponzen geschiedt dan ook op het soort skelet: Hoornsponzen (Demospongiae), Kalksponzen (Calcispongiae) en Glas of Kiezelsponzen (Hexactinellida). Sponzen met een kiezelskelet fossiliseren vrij gemakkelijk. Vooral in afzettingen uit het Krijt tijdperk vinden we vaak fossiele sponzen. De oudst bekende sponzen stammen uit het Precambrium tijdperk.

Voorbeeld van een fossiele spons uit Paulmy, Frankrijk.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Sponzen te bekijken. |
Stromatolieten
Stromatolieten ontstaan doordat onder matten van blauwwieren (Cyanobacteriën) kalkdeeltjes worden aaneengekit tot harde, vaak dungelamineerde kalkkorsten. De primitieve cyanobacteriën hadden nog geen celkern en bevatten verder alleen bladgroenkorrels.
Het is een van de oudste levensvormen die bekend is. Er zijn exemplaren bekend uit het midden Proterozoicum (1.8 miljard jaar). In het Proterozoïcum zijn op deze manier enorme hoeveelheden kalksteen gevormd. Tegenwoordig worden stromatolieten nog steeds gevormd op een aantal plekken op aarde.

Voorbeeld van een stromatoliet. |
Stromatoporen
Stromatoporen waren in zee levende organismen met een kalkskelet. In het Siluur en Devoon tijdperk waren stromatoporen belangrijke rifbouwers. Stromatoporen vormen dunne kalklaagjes in een karakteristiek patroon. Aan het einde van het Devoon tijdperk zijn ze uitgestorven.
De taxonomische indeling van deze groep is onduidelijk, maar meestal worden ze bij de sponzen (Phylum Porifera) ingedeeld. Soms zijn er net als bij de sponzen uitstroomopeningen te zien. Bij stromatoporen worden deze astorhidzen genoemd.

Voorbeeld van een Stromatopoor met astorhidzen. |
Trilobieten
Trilobieten behoren tot de geleedpotigen. Het zijn de oudste bekende dieren met ogen en leefden van het Cambrium tot in het Perm in het Paleozoicum . Ze stierven dus weer uit ver voor de dinosauriers ongeveer 300 miljoen jaar geleden aan het einde van het Perm tijdperk. De naam is ontleend aan het feit dat ze uit drie lobben bestaan, twee pleurale lobben en in het midden een derde as-lob. Ook over de lengte kent een trilobiet drie delen; het cephalon (kopschild), de thorax (lijf) en het pygidium (staartschild).
Het schild van trilobieten is van gemaakt van chitine. Dit pantser is heel star, en daarom moet de trilobiet tijdens de groeifase verschillende malen vervellen. Er worden daarom ook veel meer fossiele stukken vervellingen gevonden, dan hele trilobieten.

Elrathia kingii, midden-Cambrium, Wheeler formatie, Utah VS. Foto: © Tomas Hekkers
Trilobieten leefden op, nabij en in de zeebodem. Ze leefden van plankton en andere kleine zeeorganismen. De grootte varieerde van enkele millimeters tot de tot nu toe grootst gevonden soort op New Foundland, Isotelus rex van 72 cm. Met enige regelmaat worden nog nieuwe (sub)soorten ontdekt. De vorm van trilobieten is erg uiteenlopend. Zo waren er soorten met en zonder stekels, blinde exemplaren en soorten met juist hele grote ogen. De ogen van trilobieten zijn gefacetteerd. Deze ogen zijn vaak goed bewaard gebleven in de fossielen.
Fossielen van trilobieten zijn te vinden van het gehele beest , delen ervan (pantsersdelen) of sporen op de zeebodem zogenaamde cruziana. Deze sporen bestonden uit pootsporen en ingravingen van het beestje. Trilobieten wisselden of 'vervelden' van pantser van tijd tot tijd. Alleen de 'harde delen' (pantser) van de trilobiet zijn over het algemeen gefossiliseerd.

Voorbeeld van een spoor (Cruziana) van een trilobiet.
Trilobieten zijn in meerdere landen te vinden maar de grootste gebieden waar ze vandaan komen zijn Tsjechie, Marokko en de Verenigde Staten. In Europa zijn in Engeland, Duitsland, Zweden, Estland en Belgie ook nog een aantal vindplaatsen te vinden. In het phylum Arthropoda is de klasse Trilobita in negen verschillende orden onderverdeeld. Phacopida is misschien wel de bekendste orde van deze negen met o.a. zijn soort Phacops. Deze negen orden zijn weer onder te verdelen in 150 families met in totaal zo'n 15.000 beschreven soorten.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Trilobieten te bekijken. |
Vissen
Vissen behoren tot de Gewervelde Dieren. De oudst bekende visfossielen stammen uit het onder Cambrium tijdperk. De eerste vissen behoren tot de kaaklozen (Agnatha). Aan het begin van het Siluur tijdperk verschenen de kaakvissen (Chondrichthyes).
In het Devoon onstonden de Pantservissen (Placodermi) met uitwendige huidplaten ter bescherming. Ook de Beenvissen verschenen ten tonele. Hiertoe behoren vrijwel alle tegenwoordige vissen. Van vissen worden regelmatig de tanden, eventuele huidplaten en wervels fossiel teruggevonden.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Vissen te bekijken. |
Zee-egels
Zee-egels behoren tot het Phylum stekelhuidigen (Echinodermata). Net als andere Echinodermen hebben ze een vijf stralige symetrie. Het lichaam bestaat uit vergroeide kalkplaten. De stekels waren beweeglijk en zaten vast op de kalkplaten. Zee-egels leven op de bodem van de zee.
Van zee-egels blijft meestal de schaal goed bewaard, omdat deze van calciet is opgebouwd. De stekels vallen er meestal af en worden vaak los gevonden. Zee-egels komen voor sinds het Ordovicium tijdperk.

Voorbeeld van een irregulaire zee-egel die gevonden is in de ENCI groeve te Maastricht.
Zee-egels zijn onder te verdelen in regulaire en irregulaire zee-egels. De regulaire zee-egels zijn geheel vijfstralig symetrisch en hebben hun anus aan de bovenkant en hun mond aan de onderkant. Irregulaire zee-egels hebben hun mond en anus vaak allebei aan de onderkant. Deze zee-egels hebben ook een minder regelmatige vorm.
Klik hier voor vindplaatsen waar deze fossielen gevonden kunnen worden.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van Zee-egels te bekijken. |
Zoogdieren
Fossiel zoogdieren behoren tot de groep van gewervelde dieren. Landdieren van muis tot olifant behoren tot deze groep, maar ook zeezoogdieren zoals de walvis. De oudste zoogdieren stammen uit het Trias tijdperk. Na het uitsterven van de dinosauriërs aan het einde van het Krijt tijdperk konden ze zoogdieren zich pas goed ontwikkelen.
De eerste zeezoogdieren verschenen pas in het Eoceen (onderdeel van het Paleogeen tijdperk). Heel bekend zijn natuurlijk de fossiel van grote zoogdieren uit de ijstijden zoals de wolharige mammoet uit het Pleistoceen. |
Cenozoicum
Het Cenozoicum is de verzamelnaam van de tijdperken Neogeen en Paleogeen . |
Mesozoicum
Het Mesozoicum is de verzamelnaam van de tijdperken Krijt , Jura en Trias . |
Paleozoicum
Het Paleozoicum is de verzamelnaam van de tijdperken Perm , Carboon , Devoon , Siluur , Ordovicium en Cambrium . |
Kwartair
In de nieuwe geologische indeling is het Kwartair tijdperk (2 miljoen jaar geleden tot heden) komen te vervallen. Het is nu onderdeel van het Neogeen tijdperk. |
Tertiair
In de nieuwe geologische indeling is het Tertiair tijdperk (66 tot 2 miljoen jaar geleden) komen te vervallen. Het is nu opgesplitst en onderdeel van het Neogeen en Paleogeen tijdperk. |
Neogeen
Geologisch tijdperk vanaf 23 miljoen jaar geleden tot heden. De primaten en mensachtigen kwamen in het Neogeen tot ontwikkeling.
Het Neogeen is onder te verdelen in het Mioceen (23 tot 5,3) en het Plioceen (5,3 tot 1,8), het Pleistoceen (2,6 tot 0,011) en het Holoceen. Het Holoceen begon dus 11.500 jaar geleden.
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) * |  | Holoceen
| 0 - 0,0115
| Pleistoceen
| Weichselien
| 0,0115 - 0,11
| Eemien
| 0,11 - 0,15
| Saalien
| 0,15 - 0,38
| Holsteinien
| 0,38 - 0,40
| Elsterien
| 0,40 - 0,42
| Cromerien
| 0,42 - 0,85
| Bavelien
| 0,85 - 1,07
| Menapien
| 1,07 - 1,20
| Waalien
| 1,20 - 1,45
| Eburonien
| 1,45 - 1,81
| Plioceen
| Gelasien
| 1,81 - 2,59
| Piacenzien
| 2,59 - 3,60
| Zanclien
| 3,60 - 5,33
| Mioceen
| Messinien
| 5,33 - 7,25
| Tortonien
| 7,25 - 11,61
| Serravallien
| 11,61 - 13,65
| Langhien
| 13,65 - 15,97
| Burdigalien
| 15,97 - 20,43
| Aquitanien
| 20,43 - 23,03
| * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Neogeen te bekijken. |
Paleogeen
Geologisch tijdperk vanaf 66 miljoen tot 23 miljoen jaar geleden.
In het Paleogeen vond een snelle ontwikkeling plaats van zoogdieren en vogels. Het Paleogeen is onder te verdelen in het Paleoceen (66 tot 54,8) waaronder ook het Danien valt, Eoceen (54,8 tot 33,7) en Oligoceen (33,7 tot 23,0).
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
| 
| Oligoceen
| Chattien
| 23,0 - 28,4
| Rupelien
| 28,4 - 33,9
| Eoceen
| Priabonien
| 33,9 - 37,2
| Bartonien
| 37,2 - 40,4
| Lutenien
| 40,4 - 48,6
| Ypresien
| 48,6 - 55,8
| Paleoceen
| Thanetien
| 55,8 - 58,7
| Selandien
| 58,7 - 61,7
| Danien
| 61,7 - 65,5 | * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Paleogeen te bekijken. |
Krijt
Geologisch tijdperk vanaf 144 tot 66 miljoen jaar geleden.
De dinosauriers stierven aan het einde van het Krijt uit, vrijwel zeker als gevolg van een meteorietinslag. Ook de ammonieten stierven uit, terwijl ze gedurende het krijt hun bloeiperiode kenden. De zoogdieren en de bloemplanten begonnen zich sterk te ontwikkelen. Opkomst van bedektzadige planten en ontwikkeling van de bloemplanten. Het Krijt is onder te verdelen in het Onder Krijt (Albien, Aptien, Barremien, Hauterivien, Valanginien en Berriasien) en het Boven Krijt (Maastrichtien, Campanien, Santonien, Coniacien Turonien en Cenomanien).
| Periode | Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
|
| Boven
| Maastrichtien
| 65,5 - 70,6
| Campanien
| 70,6 - 83,5
| Santonien
| 83,5 - 85,8
| Caniacien
| 85,8 - 89,3
| Turonien
| 89,3 - 93,5
| Cenomanien
| 93,5 - 99,6
| Onder
| Albien
| 99,6 - 112,0
| Aptien
| 112,0 - 125,0
| Barremien
| 125,0 - 130,0
| Hauterivien
| 130,0 - 136,4
| Valanginien
| 136,4 - 140,2
| Berriasien
| 140,2 - 145,5 | * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Krijt te bekijken. |
Jura
Geologisch tijdperk vanaf 208 tot 144 miljoen jaar geleden.
Dit is de bloeitijd van de reptielen (dinosauriers), waarvan er tientallen soorten ontstonden. Ook onstonden vliegende dinosauriers zoals de Archaeopteryx Dit waren primitieve voorlopers van de vogels. Het aantal zoogdieren breidde zich uit en de eerste krokodillen verschenen. Opkomst van naaktzadige planten en uitbreiding van de hoeveelheid schaaldieren. Veel ammonieten en zee-egels .
De Jura is onder te verdelen in het Onder Jura (Toarcien, Pliensbachien,
Sinemurien, Hettangien), het Midden Jura of Dogger (Callovien, Bathonien,
Bajocien en Aalenien) en het Boven Jura of Malm (Tithonien, Kimmeridgien
en Oxfordien).
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
|
| Boven (Malm)
| Tithonien
| 146 - 151
| Kimmeridgien
| 151 - 155
| Oxfordien
| 155 - 161
| Midden (Dogger)
| Callovien
| 161 - 165
| Bathonien
| 165 - 168
| Bajocien
| 168 - 172
| Aalenien
| 172 - 176
| Onder (Lias)
| Toarcien
| 176 - 183
| Pliensbachien
| 183 - 190
| Sinemurien
| 190 - 197
| Hettangien
| 197 - 200
| * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Jura te bekijken. |
Trias
Geologisch tijdperk vanaf 245 tot 208 miljoen jaar geleden.
Begin van de ontwikkeling van de dinosauriërs. De eerste zoogdieren, zoals de spitsmuis ontstonden. Ook onstonden diverse nieuwe planten en was dit de bloeiperiode van de varens. Ook zijn fossiele resten van schildpadden gevonden.
Het Trias is onder te verdelen in het Onder Trias (Buntsandstein),
Midden Trias (Muschelkalk) en het Boven Trias (Keuper).
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
|
| Boven (Keuper)
| Rhaetien
| 200 - 204
| Norien
| 204 - 217
| Carnien
| 217 - 228
| Midden (Muschelkalk)
| Ladinien
| 228 - 237
| Anisien
| 237 - 245
| Onder (Buntsandstein)
| Olenekien
| 245 - 250
| Indien
| 250 - 251
| * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Trias te bekijken. |
Perm
Geologisch tijdperk vanaf 286 tot 245 miljoen jaar geleden.
Het laatste sub-tijdperk van het Paleozoïcum .
Verdere ontwikkeling van reptielen en veel weekdieren. De eerste Gingko-achtige bomen ontstaan. Het aantal amfibieën en insekten nam af. De primitieve pantservissen sterven uit. Grootste uitbreiding van de Trilobieten . Aan het einde van het Perm was er een grote uitstervingsgolf waarbij
het aantal soorten werd gedecimeerd. Over de oorzaak wordt nog getwist.
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
| 
| Lopingian
| Changsingien
| 251 - 254
| Wuchiapingien
| 254 - 260
| Guadalupian
| Capitanien
| 260 - 266
| Wordien
| 266 - 268
| Roadien
| 268 - 271
| Cisuralian
| Kungurien
| 271 - 276
| Artinskien
| 276 - 284
| Sakmarien
| 284 - 295
| Asselien
| 295 - 299
| * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Perm te bekijken. |
Carboon
Geologisch tijdperk vanaf 360 tot 286 miljoen jaar geleden.
De eerste reptielen. Verdere ontwikkeling van (vliegende) insekten en amfibieën. De eerste zegel- en schubbomen. De graptolieten stierven uit. Grote Naaktzadigen (planten nog zonder bloemen) ontstaan.
Het Carboon wordt onderverdeeld in het Onder Carboon en Boven Carboon.
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
|
| Boven
| Gzelien
| 299 - 304
| Kasimovien
| 304 - 307
| Moscovien
| 307 - 312
| Bashkirien
| 312 - 318
| Onder
| Serpukhovien
| 318 - 326
| Veseen
| 326 - 345
| Tournaisien
| 345 - 359
| * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Carboon te bekijken. |
Devoon
Geologisch tijdperk vanaf 408 tot 360 miljoen jaar geleden.
Kwastvinnige vissen en de eerste haaien ontstaan. Ook onstonden de eerste amfibieën en insekten en ammonieten . De vissen verlieten het water. Dit was ook de tijd van de kreeftachtigen. Vrij algemeen wordt aangenomen dat deze groep dieren, die een grote diversiteit vertoonde in vorm en afmeting, als eerste het water verlieten. Grote verscheidenheid aan ongewervelde dieren en vissen. De landplanten ontwikkelen bladeren.
Het Devoon is onder te verdelen in het Onder Devoon (Emsien, Pragien en Lochkovien), Midden Devoon (Givetien en Eifelien) en het Boven Devoon (Famennien en Frasnien).
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
|
| Boven
| Famennien
| 359,2 - 374,5
| Frasnien
| 374,5 - 385,3
| Midden
| Givetien
| 385,3 - 391,8
| Eifelien
| 391,8 - 397,5
| Onder
| Emsien
| 397,5 - 407,0
| Pragien
| 407,0 - 411,2
| Lochkovien
| 411,2 - 416,0
| * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Devoon te bekijken. |
Siluur
Geologisch tijdperk vanaf 438 tot 408 miljoen jaar geleden.
Veel weekdieren, o.a. gastropoden , bryozoa , brachiopoden en kaakloze vissen bevolkten de Aarde. Eerste landplanten en landdieren.
Het Siluur is onder te verdelen in het Pridoli, Ludlow, Wenlock en het Llandovery.
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
|
| Pridoli
| 416 - 419
| Ludlow
| Ludfordien
| 419 - 421
| Gorstien
| 421 - 423
| Wenlock
| Homerien
| 423 - 426
| Sheinwoodien
| 426 - 428
| Llandovery
| Telychien
| 428 - 436
| Aeronien
| 436 - 439
| Rhuddanien
| 439 - 444
| * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Siluur te bekijken. |
Ordovicium
Geologisch tijdperk vanaf 505 tot 438 miljoen jaar geleden.
In het Ordovicium kwamen veel trilobieten en graptolieten voor. Diverse weekdieren ontstonden. Het aantal primitieve vissen en (zee)planten nam toe. Bruin-, Rood- en Groenwieren verschijnen. Eerste vissen met ontwikkeld skelet en spieren onstonden. Aan het einde van het Ordovicium is er een grote uitstervingsgolf.
Het Ordovicium is onder te verdelen in het Onder, Midden en Boven Ordovicium.
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
|
| Boven
| Hirnantien
| 444 - 446
|
| 446 - 456
|
| 456 - 461
| Midden
| Darriwilien
| 461 - 468
|
| 468 - 472
| Onder
|
| 472 - 479
| Tremadocien
| 479 - 488
| * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Ordovicium te bekijken. |
Cambrium
Geologisch tijdperk vanaf 570 tot 505 miljoen jaar geleden.
Cambrische explosie van leven. Ontstaan van algensoorten en dieren met pantser of schild . Er kwamen in deze periode veel trilobieten voor, evenals kwallen, sponzen , graptolieten , stekelhuidigen, brachiopoden en inktvissen. Eerste primitieve gewervelde dieren. Ook ontwikkelde zich de eerste primitieve vissen en de eerste (zee)planten, de zogeheten Psilophyten.
Het Cambrium is onder te verdelen in het Onder, Midden en Boven Cambrium.
Periode
| Epoch
| Etage
| Tijd (in Miljoen jaar) *
|
| Boven (Furongien)
|
| 488 - 501
| Paibien
| Midden
|
| 501 - 513
|
| Onder
|
| 513 - 542
| | | * Ouderdom is afgerond
Klik hier voor vindplaatsen uit dit tijdperk.
Ga naar de Determinatie pagina om foto's van fossielen uit het Cambrium te bekijken. |
Precambrium
Het Precambrium is op te delen in een aantal onderdelen. De naam Precambrium wordt in de nieuwste indeling niet meer als naam voor "eon" gebruikt. In het Archaeïcum (3800 tot 2500) zijn er fossielen gevonden van cyanobacteriën in zee afzettingen; stromatolieten . Uit het Vroeg- en Midden Proterozoïcum (2500 tot 900) zijn kolonievormende bacteriën (zonder kern) bekend gevolgd door de eerste Eukaryoten (met kern). Uit het Laat Proterozoïcum (900 tot 570) zijn de eerste kolonievormende dieren bekend zoals sponzen.
| Eon:
| Era:
| Periode:
| Tijd (in Miljoen jaar) *
| 
| Proterozoicum
| Neoproterozoicum
| Ediacarien
| 542 - 630
| Cryogenien
| 630 - 850
| Tonien
| 850 - 1000
| Mesoproterozoicum
| Stenien
| 1000 - 1200
| Ectasien
| 1200 - 1400
| Calymmien
| 1400 - 1600
| Paleoproterozoicum
| Statherien
| 1600 - 1800
| Orosirien
| 1800 - 2050
| Rhyacien
| 2050 - 2300
| Siderien
| 2300 - 2500
| Archaeicum
| Neoarchaeicum
| 2500 - 2800
| Mesoarchaeicum
| 2800 - 3200
| Paleoarchaeicum
| 3200 - 3600
| Eoarchaeicum
| geen ondergrens - 3600
| * Ouderdom is afgerond |
|
De volgende informatie over fossielen is beschikbaar:
|