paleontica-logo
Dit artikel moet gereviewd worden. Het kan daarom zijn dat de inhoud en/of de opmaak niet juist zijn.

 

Cabochonslijpen

Deze vorm van slijpen kent twee varianten:

  • Een ruwe steen met 1 of meer bol geslepen plekken noemt men “en cabochon geslepen”.
  • Een steen met een bolle bovenzijde, (min of meer) symmetrische vorm en een vlakgeslepen onderkant noemt men gewoonlijk “cabochon”.

“En cabochon” wordt vaak gebruikt bij stenen die door de natuur al grotendeels zijn afgerond en waarbij interessante delen zichtbaar zijn. Ook wordt het toegepast bij gebroken stenen, waarbij men een bepaalde plek zo optimaal zichtbaar wil laten zijn, maar de rest van de steen graag zo natuurlijk mogelijk wil houden.

Cabochons

door André Dekker

“En cabochon”

De slijpgangen voor “en cabochon” zijn hetzelfde als bij het vlakslijpen en ook hier wordt er geslepen door de steen cirkelvormig tegen de slijpstenen te draaien tijdens het bewerken. Het verschil zit vooral in het “sturen” van de steen. Bij het vlakslijpen werden de cirkelvormige bewegingen vanuit de schouders en ellebogen gestuurd en werden de polsen vrij strak in positie gehouden. Bij “en cabochon” is dat nu precies andersom. We moeten hier nu juist draaien vanuit de polsen.

Allereerst inspecteren we de steen van tevoren op plekken die het meest interessant zijn. Dit keer hoeven we niet te zagen en dus ook niets af te tekenen. Wanneer we gekozen hebben welke zijde van de steen we willen slijpen, kunnen op die plek uitstekende delen aanwezig zijn of verdiepte plekken. Deze zullen we moeten egaliseren. Met korrel 80 beginnen we. We egaliseren de steen eerst door de ongewenste plekken kort en stilgehouden tegen de slijpsteen te houden, totdat deze delen verdwenen zijn. Hierna kunnen we beginnen met de bolling van de steen (cirkelvormige bewegingen vanuit de polsen), waarbij we zoveel mogelijk de natuurlijke vorm blijven volgen.

Het is denkbaar dat we meerder bollingen aan dezelfde steen willen slijpen. Waar deze bollingen elkaar raken, zal er een opstaande rand ontstaan. Die kunnen we wegslijpen door van boven naar beneden en weer terug over deze rand te slijpen, totdat die verdwenen is. De bollingen zullen nu vloeiend in elkaar overlopen. Zijn we tevreden, dan kunnen we het proces vervolgen met korrel 220. We herhalen nu hetzelfde als we net hebben gedaan. Voor het overige geld exact hetzelfde als bij het vlakslijpen. Alles wat we daar deden, doen we hier ook weer. Het verschil zit uitsluitend in de wijze waarop we de steen met de handen sturen.

En cabochon

Cabochon

De cabochon kan verschillende vormen hebben (rond, ovaal, ruit, vlieger, rechthoek enz.), maar heeft altijd een geslepen bolle bovenkant en een geslepen vlakke onderkant. Deze vorm van slijpen wordt erg veel toegepast bij stenen met een bijzonder lichteffect, zoals bij Tijgeroog, Valkenoog, Labradoriet, Sterrobijn en –Saffier etc, maar ook bij heldere stenen waarin andere mineralen opgesloten zitten (Rutielkwarts, Tourmalijnkwarts enz.). Daarnaast worden cabochons vaak geslepen om specifieke eigenschappen goed zichtbaar te maken, zoals het kleurenspel van de Opaal.

Cabochons worden veelal gebruikt om in sieraden verwerkt te worden. Erg grote cabochons zijn doorgaans bedoeld als verzamelobject.

Voor we beginnen, onderzoeken we de te slijpen steen eerst weer erg grondig, zowel droog als natgemaakt. We letten niet alleen op onvolkomenheden, maar nu ook vooral op de beste kleurplekken en bij insluitingen: de meest verzadigde plekken. Bij kleurenspel in een steen (zoals bij Labradoriet) zal de kant met de beste kleuren straks de bovenkant moeten worden. Eenmaal vastgesteld, markeren we die met watervaste stift, waarbij we ook meteen de zaagsnede al kunnen aangeven. Vervolgens zagen we de steen. Bij heel kleine stenen zagen we niet, maar zullen we alles moeten slijpen, ook de vlakke onderzijde.

De gezaagde steen proberen we zo groot mogelijk te houden bij het slijpen straks. Afhankelijk van de vorm van de steen kiezen we nu voor het model. Hiervoor zijn diverse mallen/sjablonen te koop. De mal met het gewenste model leggen we nu op het gezaagde dan wel aangeslepen (bij kleine stenen) vlak van de steen en trekken de vorm over met watervaste stift. Tot slot zagen of slijpen we zo goed mogelijk alle ongewenste delen rondom het afgetekende deel weg.

Sjablonen met afgetekende stenen.

Als de cabochon klein zal worden, maken we gebruik van een stukje rond hout, die de slijper een “dopstick” noemt. Dit zal ervoor zorgen dat we een soort handvat krijgen aan de steen en het kleine objectje niet met onze vingers hoeven te slijpen. De dopstick moet altijd een kleinere diameter hebben dan de steen. Dopsticks zijn eenvoudig zelf te maken door bij de bouwmarkt een aantal lengten rondhout met verschillende diameters te kopen en die thuis te zagen in stukken van 10 cm. Grote cabochons kunnen uit de hand geslepen worden of met een kurk uit een wijnfles als dopstick.

Dopsticks

Dopsticks met dopstickwax.

De steen moet goed schoon zijn voordat hij op de stick geplaatst gaat worden. Voor de dopstick hebben we ook een lijmmiddel nodig: de dopstickwax. Dat is een staaf of brok dat nog het meest lijkt op zegellak. Op bijna iedere stenenbeurs is het wel te koop in diverse kleuren/soorten. Geef dan aan de verkoper aan welke stenen u ermee het meest wilt vastzetten op de dopstick. Door verwarming wordt de wax zacht en taai vloeibaar, zodat we het op de dopstick kunnen aanbrengen door het met de stick ervan af te schrapen. Dat verwarmen kunnen we doen boven een zacht brandende gaspit. Met een tangetje verwarmen we nu ook de steen een beetje. Deze zal eerst licht condenseren, maar zodra die condens is weggetrokken, is de steen op de juiste temperatuur. De afgetekende kant wordt de bovenkant op de dopstick, maar is later de onderkant van de cabochon. Dopstick met warme wax en de steen worden nu samengebracht. De steen boetseren we nu met licht-natte vingers (speeksel gebruiken) precies op het midden van de stick. Is dat gelukt, dan laten we alles rustig afkoelen (nooit onder koud water, want de steen zal door de plotselinge temperatuurovergang barsten!!) rechtop staand in bv. een glas.

Is de steen afgekoeld, kunnen we beginnen met het slijpen.

We beginnen weer met korrel 80. Door de steen in een hoek van 90 graden t.o.v. de slijpsteen te houden en daarbij de dopstick tijdens het slijpen langzaam te draaien (bij een ovaal: de lange zijden iets langzamer dan de korte zijden), kunnen we nu de afgetekende vorm heel nauwkeurig benaderen. Blijf een heel klein stukje van de rand af, want bij de volgende slijpgangen zal er ook weer ietsjes weggeslepen gaan worden. Als we tevreden zijn over de vorm, slijpen we de platte zijde en gaan we daarna verder met de volgende slijpgangen (korrel 220, 400/500, schuren en polijsten. Maar let op: met korrel 400 of 500 gaan we nu ook een dun randje onder een hoek van 45 graden t.o.v. de vlakke zijde slijpen. Dit is de zgn. “uitbreekrand”. Die zal later bij het zetten in een sieraad ervoor zorgen dat de spanningen bij het zetten in een zetting gelijkmatig worden afgevoerd, waardoor de steen niet zal afsplinteren op die plaats. Ook dit randje moet vanaf nu worden meegeschuurd en gepolijst.

Wanneer dit gedaan is, moet de steen omgekeerd worden op de dopstick. Hiervoor verwarmen we de steen met de dopstick tot de wax weer vloeibaar begint te worden. We lichten de steen dan van de dopstick en draaien hem om. Na herplaatsing verwarmen we het geheel nogmaals en letten erop dat de steen weer in het midden zit en dat de zojuist geslepen onderkant echt horizontaal op de stick bevestigd is. We laten de  steen weer afkoelen.

We moeten nu nog de bolle kant slijpen. Wederom beginnen we met korrel 80. We houden de dopstick met steen in ong. 75 graden en al draaiende aan de stick slijpen we zo een steile kant rondom. Dit is vooral een kwestie van veel gevoel vanuit de vingers en het vloeiend laten draaien van de dopstick. Hierbij slijpen we tot we net iets boven de eerder geslepen onderkant zijn gebleven. Als dat is gelukt, herhalen we dit telkens opnieuw, waarbij we steeds proberen per geslepen “rondje” de hoek 10 graden minder steil te maken. Dit doen we net zolang tot we ook de bovenkant hebben gehad. Vanaf dit punt herhalen we met de andere slijpstenen hetzelfde.

Bij het schuren doen we dit nog steeds, maar nu komt er een beweging bij. De steen zal kleine opstaande randjes en wat vlakjes hebben van het slijpen. Die schuren we eruit door de steen van alle kanten even kort van boven naar beneden toe over de schuurband te halen. Hierbij drukken we licht. Onder de schuurband zit immers een dun laagje rubber. Dat zal iets meebuigen bij het licht drukken en ervoor zorgen dat de oneffenheden makkelijk weggeschuurd gaan worden.

Het polijsten gaat weer zoals gebruikelijk. De steen moet al draaiende met onze vingers overal goed geraakt worden. Zodra de steen op hoogglans is, zijn we toe aan de laatste fase: de steen weer van de dopstick halen en reinigen. Dopstick met steen worden weer verwarmd, maar nu net iets korter dan voorheen. Zodra de wax tekenen vertoont van zacht worden, proberen we de steen er rustig vanaf te trekken. Als dat is gelukt, moet hij nog schoongemaakt worden. De ergste waxresten kunnen we er met een oud mesje voorzichtig ervan af schrapen. De overige resten kunnen we er makkelijk vanaf krijgen met een stukje keukenpapier, natgemaakt met spiritus waar we mee over de steen wrijven. Spiritus lost nl. de wax op!

En zie hier: uw cabochon is gereed!

Feedback

Mist er iets op deze pagina? Of klopt er iets aan de tekst? Meld het ons.

Doneer

Wij zijn geheel afhankelijk van donaties. Daarom vragen wij onze gebruikers ons te helpen.

0.0%
Percentage van ons maanddoel gehaald deze maand

 Ik wil meer weten

Geo Kalender

Adv. GeoRockShop