HOME Artikelen Eigenschappen van mineralen: de streepkleur
Facebook Fossiel.net In English Please In het Nederlands

Mededeling

Kom naar onze PaleoTime-NL internationale fossielenbeurs in Harderwijk (NL), op 9 maart 2019!


Bouw mee aan Fossiel.net!
Hoe kan ik helpen?

Populairste Artikelen

Georockhop
D03 Doosje klein hoog wit
0.40 EUR



Eigenschappen van mineralen: de streepkleur

Naast de hardheid, is ook de streepkleur een handig determinatiekenmerk voor mineralen. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van hoe je de streepkleur kan bepalen en als determinatiekenmerk kan gebruiken. 

Het gaat hierbij over de streep die een mineraal maakt door ermee te wrijven over ongeglazuurd porselein. De kleur daarvan is kenmerkend voor een mineraal, en kan dus dienen om onbekende mineralen te (helpen) determineren. Er worden hiervoor speciale plaatjes verkocht, maar elke oppervlakte in ongeglazuurd porselein kan dienen, bv. ook een stuk van een keramieken lavabo, WC-pot of tegel. Porselein is erg hard, harder dan de meeste mineralen, en die laten er dus wat materiaal op achter, een streep: zie de tekening hiernaast. En het porselein moet ongeglazuurd zijn, omdat het mineraal anders zou afglijden op glazuur. Nog dit: soms wordt in boeken ook de term “streek” gebruikt, onder invloed van het Engelse woord “streak”. In het Duits is het ‘Strich’ en in het Frans wordt het ‘trace’.

“Stenige” mineralen zoals calciet, bariet, veldspaat...hebben zo goed als altijd een witte of heel bleke streep. Alleen als ze sterk gekleurd zijn (door insluitingen of vreemde atomen in hun kristalrooster) kan hun streep ook gekleurd zijn, maar dat is altijd erg zwak. De streepkleur is vooral belangrijk bij mineralen met metaalglans of een sterke eigen kleur.

De streepkleur dient vooreerst om onderscheid te kunnen maken tussen mineralen met hetzelfde uiterlijk en ook dezelfde hardheid. Voorbeelden hiervan zijn:

Nog een mineraal met heel verschillende uiterlijke vormen is sfaleriet. Die naam betekent ‘bedrieger’, juist wegens de uiteenlopende vormen. De kleur is meestal zwart of bruin, maar rood, geel, groen en kleurloos zijn ook mogelijk, en er komen zowel opake als doorschijnende kristallen voor. Die kristallen kunnen tetraëders zijn, octaëders, twee- of veellingen, plaatjes, en verder komt sfaleriet ook voor als vergroeide straalvormige massa’s, klonten, adertjes, korrelige aggregaten...Al deze vormen van sfaleriet hebben evenwel dezelfde bruine streep, wat herkenning vergemakkelijkt.

Sfalerietkristallen

En zowel in ertsaders als in oxidatiezones aan het oppervlakte kunnen soms ertsklonten gevonden worden met een zwart glanzende, bobbelige buitenkant en inwendig opgebouwd uit mineraalvezels. Zoiets heet ‘glaskop’, met een woord aan het Duits ontleend, dat verwant is met ons woord ‘kletskop’. Nu kan dergelijke ‘glaskop’ zowel bestaan uit limoniet, als uit hematiet of mangaanoxides, maar weer kan de streepkleur uitkomst brengen: in het eerste geval is die bruin, in het tweede rood, en in het derde geval zwart. Uiteraard heeft men een boek nodig om de streepkleur van een mineraal op te zoeken, maar die staat in alle goede mineralenboeken vermeld bij de beschrijving.

En nog over hematiet: het kan gebeuren dat kristallen van magnetiet, Fe3O4, aan de aardoppervlakte oxideren tot Fe2O3, hematiet; Dat kan gebeuren met perfect behoud van de octaëdrische kristalvorm en de zwarte kleur. Er ontstaat zo een pseudomorfose, een specimen dat de vorm heeft van een bepaald mineraal maar met een andere samenstelling die niet in overeenstemming is met die vorm. Hier ook kan de streepkleur uitsluitsel geven. Dergelijke pseudomorfoses worden ‘martiet’ genoemd.

Nog een voorbeeld van pseudomorfose is pyriet, FeS2, die omgezet is in limoniet, een mengesel van ijzerhydroxides (natuurlijke roest). Hier wordt het al dadelijk verraden door de uiterlijke kleur: pyriet glanst metalig geel terwijl limoniet bruin is. Gelijkaardig is de omzetting van sideriet FeCO3 in limoniet: sideriet heeft een witte tot licht geelbruine streep, goed te onderscheiden van het bruin van de streep van limoniet.

In loodafzettingen kan soms een merkwaardige pseudomorfose aangetroffen worden. Het primaire erts is galeniet, PbS, dat kubische kristallen vormt (tekening links). Aan de oppervlakte verweert dit en er vormen zich een reeks secundaire loodmineralen, waaronder pyromorfiet, Pb[Cl/(PO4)3], dat hexagonaal is en zeszijdige zuiltjes vormt (tekening rechts). Heel uitzonderlijk gebeurt het dat pyromorfiet terug vervangen wordt door galeniet, met behoud van de kristalvorm. In dat geval kan de streepkleur uitsluitsel geven: die van pyromorfiet is wit en die van galeniet is grijs tot blauwig zwart. Dergelijke pseudomorfoses worden met een oude Duitse term aangeduid als “Blaubleierz”, en het zijn gezochte rariteiten.

Tot slot nog deze tip: het is aangeraden altijd vooraf te oefenen met bekende mineralen, kwestie van gewoonte op te doen en de verschillende streepkleuren te leren kennen en onderscheiden. Deze raad geldt trouwens ook voor de andere determinatiekenmerken, zoals ook de hardheid.

 

Erik Vercammen

(Dit artikel verscheen eerder in het tijdschrift HONA 2010/2. Meer info: www.hona.be)

 

 


Heb je aanvullingen op deze tekst? Neem dan contact op met het Fossiel.net Team.

0